Het vuur dat nooit uitging

reactiedatum 1932
Theet Ariessen Theet Ariessen fotograaf Fred Sparreboom

Stoker op een steenfabriek

In de Liemers kun je nog veel restanten van oude steenfabrieken vinden. Na de oorlog waren er veel stenen nodig voor de wederopbouw van Nederland. Ik ben op bezoek bij Theet Ariessen (1932) die in 1954 als stoker is gaan werken bij de steenfabriek van Terwindt & Arntz in Spijk. Hij praat graag over vroeger en weet er veel over te vertellen. Dat werknemers vroeger niet altijd brave jongens waren is me duidelijk geworden. In juli 1982 werd hij ontslagen in verband met herstructurering. In december 1986 werd hij gevraagd om terug te komen. Ze hadden ervaren stokers nodig. In 1992 is hij op 60 jarige leeftijd in de vut gegaan.

Hoe het allemaal begonnen is

"Als kind ging ik vroeger naar de steenfabriek waar mijn vader als stoker werkte. Van mijn vader mocht ik helpen de oven op de juiste temperatuur te houden. Zo maakte ik kennis met het vak van stoker op een steenfabriek. Toen er later een nieuwe stoker voor de fabriek gezocht werd, kreeg ik de kans als stoker aan de slag te gaan. Niet dat de arbeidsomstandigheden zo fantastisch waren, maar ik kon er meer verdienen dan bij de boer waar ik werkte.

Arbeidsomstandigheden

Toen ik in 1954 begon zaten we te schaften op een stuk papier bovenop de kolen. Als je je wilde wassen kon je bij de pomp een emmer water halen. De vakbonden zorgden langzamerhand voor verbetering. Ook die keer dat ze langskwamen omdat de bazen vonden dat er teveel verdiend werd. Als stoker werkte je altijd boven de ovens. In de zomer liep de temperatuur buiten de oven op tot wel 60 graden. De man van de vakbond vroeg of we bij deze temperatuur moesten werken? Ja, dat moesten wij. In plaats van dat we minder gingen verdienen gingen we meer verdienen en we kregen voortaan ook nog 2 flessen melk per dag.

Altijd werk voor de stoker

Als stoker had je het hele jaar door werk in de steenfabriek. De steenmakers die van de klei de stenen maakten, werkten alleen in de lente en de zomer bij de steenfabriek afhankelijk van het weer. Ze maakten zoveel stenen klaar dat we de hele winter door stenen konden bakken. In de winter werkten veel steenmakers in de mijnen in Limburg. Wij (de stokers) werkten altijd, dag en nacht in ploegendienst. Zelfs in de vakantie moesten we de ovens brandend houden. De kolenkruiers brachten ons de steenkool van de schepen waarmee de kolen werden aangevoerd. Een vies werkje want het was meer gruis dan kolen. Als stoker zorgde je ervoor dat de ovens goed op temperatuur bleven. En dat deed je op zicht en ervaring.

Experimenteren

Je had als stoker de gelegenheid te experimenteren met de temperatuur om zoveel mogelijk goede stenen te produceren. Er kwam een keer een baas naar me toe die vond dat er teveel slappe stenen geproduceerd werden. “Ja, zei ik, daar is wel een oplossing voor, maar dan krijg je wel 3 kruiwagens vol misbaksels. Daar krijg je wel 7 bladen goede stenen voor terug.” De baas vond het een goed idee. De mensen die de misbaksels moesten verwijderen waren er minder blij mee want het was meer werk. Het leverde mij de naam “bonkenstoker” op.

En ging dat vuur nooit uit?

Zolang er met kolen gestookt werd ging het vuur niet uit. Er was een keer een brand in de buurt. Toen kwam de politie naar boven. “Uh, oven uit, sigaret uit en dit en dat.” Ik zei: “Oven uit? Dan moet je over 3 weken terugkomen, dan heb ik hem uit.” In 1960 gingen de ovens geleidelijk over op olie. In 1970 gingen we over op gas. Het vuur kan dan makkelijk gedoofd worden, maar de ovens bleven toch branden. Toen er met kolen werd gestookt waren er altijd veel vogels en muizen boven op de fabriek. Toen er later gas kwam was er bijna geen vogel en muis meer te bekennen. Dat gaf te denken!"

Interviewer en auteur: Rita Hofstede

Tags:

Geef een reactie